Fiscaal-juridische aspecten van de groepsverzekering

JURIDISCH LUIK

1. DE WET OP DE AANVULLENDE PENSIOENEN (WAP)

2. DE VERSCHILLENDE SOORTEN COLLECTIEVE PENSIOENPLANNEN

A. De sectorale pensioenplannen

B. De bedrijfspensioenplannen

3. DE GROEPSVERZEKERING OP HET NIVEAU VAN DE ONDERNEMING

A. Invoering, wijziging en afschaffing

B. Aansluiting

C. Reserves en verworven prestaties

D. Jaarlijkse informatie van de aangeslotenen

E. Inspraak van de werknemers

F. Uittreden uit de groepsverzekering

G. Vereffening van de verzekerde prestaties

FISCAAL LUIK

1. TAKS OP DE VERZEKERINGSCONTRACTEN

A. Basis tarief

B. Groepsverzekering met meerdere prestaties

C. Individuele verderzetting

2. AFTREKBAARHEID VAN DE PREMIES

A. Prestaties bij leven / overlijden

B. Prestaties bij Arbeidsongeschiktheid

C. Prestaties bij Medische kosten / Afhankelijkheid / Ernstige aandoeningen

3. BELASTING VAN DE PRESTATIES

A. Prestaties bij leven / overlijden

a. Belastingprincipe

b. Parafiscale behandeling van de prestaties

c. Vereffening

d. Successierechten

B. Prestaties bij Arbeidsongeschiktheid

C. Prestaties bij Medische kosten / Afhankelijkheid / Ernstige aandoeningen

BONDIG OVERZICHT

1. Jaarlijkse taks op verzekeringscontracten

2. Aftrekbaarheid van de bijdragen

 

 

 

JURIDISCH LUIK

1. DE WET OP DE AANVULLENDE PENSIOENEN (WAP) 

 

De wet Vandenbroucke van 28 april 2003 op de aanvullende pensioenen (WAP), in voege getreden op 1 januari 2004, heeft het huidige uitzicht van onze aanvullende bedrijfspensioenen grondig veranderd.

 

Het doel hiervan? De oprichting van aanvullende bedrijfspensioenen bevorderen en alle collectieve vormen van aanvullende pensioenen ( sectorale pensioenplannen, bedrijfsplannen), maar ook de individuele pensioenbeloftes en dit alles binnen eenzelfde juridisch kader.

 

Bij diezelfde gelegenheid heeft de wet Vandenbroucke het fiscale stelsel van deze aanvullende pensioenen volledig herwerkt. En hoewel het sociale luik van de wet voor de loontrekkenden bestemd is, richt het fiscale luik zich zowel tot de loontrekkenden als tot de zelfstandige bedrijfsleiders.

 

Het sociale luik van de wet betreft enkel de loontrekkenden die onder een arbeidsovereenkomst door een werkgever zijn aangeworven. Verder beoogt dit luik van de wet Vandenbroucke enkel de aanvullende rust- en/of overlijdenspensioenen (overlijden vóór of na het pensioen), met uitsluiting van andere prestaties zoals de arbeidsongeschiktheid of de gezondheidszorg. In de volgende hoofdstukken gaan we hier verder op in.

top

2. DE VERSCHILLENDE SOORTEN COLLECTIEVE PENSIOENPLANNEN

A. De sectorale pensioenplannen 

a. Resultaat van een sociaal overleg

De sectorale pensioenen vloeien voort uit collectieve arbeidsovereenkomsten die in een activiteitssector tussen de sociale partners gesloten worden.

Het beheer van een dergelijk sectoraal pensioenstelsel wordt aan een verzekeringsmaatschappij of aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP) toevertrouwd.

b. De mogelijkheid tot opting out

De sectorale collectieve overeenkomst kan (het is nooit een verplichting) de mogelijkheid van een opting out voorzien: hierbij heeft de werkgever de mogelijkheid om zelf, gedeeltelijk of geheel, via een pensioenplan op het niveau van zijn onderneming, de uitvoering van het pensioenstelsel te regelen.

In dat geval kiest hij zelf de pensioeninstelling aan wie hij de uitvoering van zijn pensioenstelsel zal toevertrouwen. Deze werkgever zal zijn werknemers ook vrij bijkomende voordelen kunnen toekennen die de sectorale voordelen overschrijden.

c. De sectorale sociale plannen

Om meer sociale sectorale stelsels te promoten, voert de wet twee stimuli in:

  • elke taks van 4,40 % op de stortingen die in het kader van een dergelijk plan verricht worden, is afgeschaft;
  • voor de berekening van de loonnorm wordt geen rekening gehouden met de gestorte bijdragen.

 

Deze stimuli worden toegekend aan sectorale pensioenplannen die aan specifieke voorwaarden voldoen, waaronder de verplichting om bepaalde "solidariteitsprestaties" te voorzien die door de wet bepaald zijn (zoals de financiering van de opbouw van het aanvullend pensioen gedurende bepaalde inactiviteitperioden of in geval van faillissement van de werkgever …). Dit "solidariteitsluik" kan zelf niet het voorwerp van een opting out uitmaken.

top

B. De bedrijfspensioenplannen 

Het gaat om pensioenplannen die binnen de onderneming georganiseerd worden. Hun uitvoering moet steeds aan een verzekeringsmaatschappij (groepsverzekering) of een IBP toevertrouwd worden.

a. De gewone plannen

Dit zijn pensioentoezeggingen die door een werkgever ten gunste van al of een deel van zijn personeelsleden worden onderschreven en die aan bepaalde voorwaarden beantwoorden.

b. De sociale plannen

Indien er geen sociaal plan op sectoraal vlak is, kan een werkgever zelf op het niveau van zijn onderneming een pensioenstelsel invoeren dat de voordelen zal genieten van een sociaal plan op sectoraal niveau. Alweer op voorwaarde dat er solidariteitsprestaties voorzien worden die eigen zijn aan die onderneming.

top

3. DE GROEPSVERZEKERING OP HET NIVEAU VAN DE ONDERNEMING 

A. Invoering, wijziging en afschaffing 

a. Principe

De beslissing om een groepsverzekering in te voeren, te wijzigen of af te schaffen valt onder de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever.

b. Uitzondering

Als de groepsverzekering, bij haar invoering of later voorziet

  • dat de loontrekkende een werknemersbijdrage stort en zo bijdraagt tot de financiering van die groepsverzekering,
  • en dat die groepsverzekering voor al de werknemers van de onderneming geldt,

 

wordt die beslissing genomen

 

  • bij collectieve overeenkomst wanneer er binnen de onderneming een ondernemingsraad bestaat, een comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW) of een syndicale afvaardiging;
  • door wijziging van het arbeidsreglement in de andere gevallen.

c. Pensioenregeling

De groepsverzekering blijft beheerd door een pensioenreglement dat de rechten en verplichtingen van de partijen bepaalt. Dit is ook het geval voor de zelfstandigen.

De tekst van dat reglement wordt echter nog slechts op verzoek van de aangeslotene meegedeeld, desgevallend elektronisch. Het reglement stipuleert wie van de onderneming of van de verzekeraar met die mededeling belast is.

top

B. Aansluiting 

a. Verplicht vanaf 25 jaar

De aansluiting is onmiddellijk en verplicht voor de loontrekkenden die binnen de betrokken categorie vallen en die de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben. Niets belet een werkgever natuurlijk om een lagere of helemaal geen aansluitingsleeftijd te bepalen.

 

Voor de zelfstandige bedrijfsleiders is er op dat gebied meer vrijheid: de bepaling van de categorie kan voorwaarden van minimumleeftijd of minimumdiensttijd omvatten. Enige uitzondering: als het om een pensioenplan met Vaste Prestaties gaat ("te bereiken doel" waar de toezeg ging op de toekenning van een bepaalde uitkering slaat). In dat geval mogen deze aansluitingsvoorwaarden niet voor gevolg hebben dat de aansluiting na de 25ste verjaardag wordt uitgesteld.

b. Geen medisch onderzoek

De wet voert het algemeen principe in van het verbod van eender welk medisch onderzoek bij de aansluiting van de loontrekkenden bij een collectief plan bij Leven/Overlijden

 

Uitzondering: een medisch onderzoek is enkel in 3 gevallen toegestaan:

  1. als de aangeslotene zelf de omvang van de overlijdensdekking kan kiezen (o.m. in het geval van een cafetariaplan waar elke aangeslotene over eenzelfde premiebudget beschikt, dat hij naar eigen behoefte aan de financiering besteedt van de prestaties die hem worden voorgesteld);
  2. als het overlijdenskapitaal minstens 50% hoger ligt dan het kapitaal bij leven;
  3. als 10 werknemers of minder bij het pensioenplan zijn aangesloten.

c. Verbod van elk onwettig onderscheid

Het is een werkgever verboden een onwettig onderscheid te maken tussen de werknemers van eenzelfde onderneming.

 

Een onderscheid is onwettig als het niet op een objectief criterium berust dat niet redelijk verantwoord is.

 

De wet vermeldt, op niet alles omvattende wijze, enkele voorbeelden van onwettig onderscheid:

  • toekenning van overlevingspensioenen enkel aan mannelijke of vrouwelijke begunstigden;
  • het feit van de toekenning van de pensioentoezegging te onderwerpen aan een bijkomende beslissing van de werkgever of de verzekeraar;
  • een gedifferentieerde toezegging naargelang de leeftijd. Verhoging van de bijdragen op basis van de anciënniteit is echter toegestaan op voorwaarde dat dit geen manier wordt om de verplichte aansluiting op 25 jaar te omzeilen.

Op gebied van leeftijd is een beperkte differentiatie (4% per leeftijdschijf) toegestaan in een formule met “vaste bijdragen” ("vastgestelde premies" waarbij de toezegging op de storting van a priori bepaalde bijdragen berust) om het bedrag van de bijdrage te bepalen.

 

De wet bevestigt nog dat er geen discriminatie mag zijn tussen mannen en vrouwen wat het aantal gepresteerde dienstjaren na 17 mei 1990 betreft. De enige toegestane verschillen zijn deze die verantwoord worden door de respectievelijke levensverwachtingen van de mannen en de vrouwen. In de formules met “vaste bijdragen” mag er geen onderscheid zijn tussen mannen en vrouwen om het niveau van de bijdragen te bepalen. In “vaste prestaties” moet de gelijke behandeling op de voorziene uitkering slaan.

 

Blijft ook verboden elk onderscheid op het niveau van de aansluiting tussen voltijdse werknemers en deeltijdse werknemers. De deeltijdse werknemers moeten dezelfde rechten kunnen genieten als de voltijdse werknemers, uiteraard rekening houdend met de vermindering van hun arbeidstijd.

 

Bij de bepaling van een categorie van aangeslotenen zal nog moeten rekening gehouden worden met de antidiscriminatiewet wet van 25 februari 2003. Deze wet beoogt zowel de loontrekkenden als de zelfstandigen.

  • Principe: deze wet verbiedt elke discriminatie gebaseerd op bepaalde criteria zoals het geslacht, de burgerlijke staat, de gezondheidstoestand, het ras, …
  • Verschillen zijn evenwel toegestaan op voorwaarde dat ze op een objectieve en redelijk verantwoord criterium berusten

 

Contracten van bepaalde duur: een wet van 5 juni 2002 verbiedt elke discriminatie ten aanzien van werknemers met een contract van bepaalde duur, behoudens ze op een objectief en redelijk verantwoord criterium berust.

d. Verplichte of facultatieve aansluiting?

Bij de invoering van de groepsverzekering zijn de loontrekkende werknemers die op dat ogenblik reeds in dienst zijn er niet toe gehouden zich bij de groepsverzekering aan te sluiten, tenzij deze bij collectieve overeenkomst ingevoerd werd zoals in het geval van de sectorale pensioenen.

 

Wat de zelfstandige bedrijfsleider betreft, deze kan altijd weigeren om zich aan te sluiten.

 

Na opstart van het plan is aansluiting steeds verplicht.

 

Bij wijziging van de groepsverzekering waarbij de werknemersbijdrage van de aangeslotenen verhoogt, kunnen deze vragen om vrijgesteld te worden van deelname aan de wijziging, tenzij deze wijziging bij collectieve overeenkomst ingevoerd werd.

Voor de aangeslotenen die het nieuwe plan weigeren, moet het oude plan volstrekt van kracht blijven. Hetzelfde geldt voor een zelfstandige bedrijfsleider: hij kan ook de verhoging van zijn werknemersbijdrage weigeren.

top

C. Reserves en verworven prestaties 

a. Verworven rechten na één jaar aansluiting

De loontrekkende werknemer kan na één jaar aansluiting zijn rechten laten gelden op het deel van de reserves dat door de werkgeversbijdrage gefinancierd wordt. Op het deel dat door zijn werknemersbijdragen gefinancierd wordt, gelden zijn verworven rechten natuurlijk onmiddellijk.

 

In dat opzicht is het verboden om een pensioentoezegging zo te bepalen dat het resultaat van de berekening van de verworven minimumreserve, voor een aangeslotene na één jaar aansluiting, nul of negatief zou kunnen zijn. Men zou bv. in een formule met “vaste bijdragen” een premie kunnen voorzien die gelijk is aan een bezoldigingspercentage op voorwaarde dat ze hoger ligt dan een bepaald bedrag. De bedragen die gestort worden voor de werknemers van wie het loon dat bedrag niet bereikt, zouden in dat geval gelijk zijn aan nul.

b. Gewaarborgd minimum rendement

De WAP bevestigt de waarborg van een minimum rendement voor de werknemersbijdragen en voert een minimum rendementswaarborg in voor de werkgeversbijdragen in de pensioenplannen van het type “vaste bijdragen”.

 

  • Werknemersbijdragen
  •  

    Wanneer hij uit de groepsverzekering treedt, bij zijn pensionering of bij afschaffing van het pensioenplan heeft de aangeslotene recht op het deel van zijn werknemersbijdrage die als spaarsom is aangewend, gekapitaliseerd tegen de in levensverzekering gewaarborgde maximumrentevoet (op dit ogenblik 3,75 %). Deze regel is ook van toepassing voor de zelfstandigen.

     

  • Werkgeversbijdragen

     

    Voor de werkgeversbijdragen wordt in het kader van een formule met “vaste bijdragen” eveneens een gewaarborgd rendement voorzien. Maar enkel ten gunste van de loontrekkende werknemers. De zelfstandigen genieten zo’ n waarborg niet.

     

    Waaruit bestaat deze?

    Wanneer hij uit het plan treedt, bij zijn pensionering of bij afschaffing van het plan heeft de aangeslotene recht op het deel van de werkgeversbijdrage:

    • dat als spaarsom is aangewend, verminderd met 5 % kosten,
    • gekapitaliseerd tegen de in levensverzekering gewaarborgde maximum rentevoet, verminderd met 0,5% (op dit ogenblik is dat 3,25%).
  •  

    Indien het uittreden, de pensionering of de afschaffing van het plan binnen de 5 jaar gebeurt die op de aansluiting volgen, wordt die rentevoet van 3,25% door een indexering van de werkgeversbijdragen vervangen.

     

    Dat gewaarborgd minimum rendement is evenwel slechts van toepassing op het deel van de bijdragen  dat vanaf 1 januari 2004 verschuldigd is.

     

  • Waarborg op termijn
  •  

    Het gaat over waarborgen op lange termijn die niet ieder jaar bereikt moeten worden. Ze moeten enkel bij het uittreden, bij de pensionering of op het ogenblik van de afschaffing van het pensioenplan bereikt zijn.

    top

D. Jaarlijkse informatie van de aangeslotenen 

a. Pensioenfiche

De verzekeraar moet minstens eenmaal per jaar aan al de aangeslotenen (met uitzondering van de renteniers) een pensioenfiche overmaken waarin verschillende gegevens moeten opgenomen zijn:

  1. het bedrag van de verworven reserves met vermelding van het gewaarborgde bedrag;
  2. het bedrag van de verworven prestaties op de pensioenleeftijd voorzien door het reglement;
  3. de veranderlijke elementen waar rekening mee gehouden wordt voor de berekening van de bedragen bij punten 1° en 2° (leeftijd, geslacht, bezoldiging, loopbaan, …), waardoor de betrokkene kan nagaan of de elementen correct zijn;
  4. het bedrag van de verworven reserves van het jaar voordien.

b. Historisch overzicht

Op loutere vraag van de aangeslotene moet de verzekeraar hem ook een historisch overzicht meedelen van de gegevens onder de punten 1° en 2°. Dat overzicht zal zich evenwel beperken tot de aansluitingsperiode bij de betrokken verzekeraar en tot de periode na 1 januari 1996 (in werkingtreding van de wet Colla).

c. Bedrag van de te verwachten rente

Overigens moet de verzekeraar minstens om de 5 jaar aan al de aangeslotenen die minstens 45 jaar oud zijn, het bedrag van de rente meedelen die ze op de pensioenleeftijd op basis van bepaalde hypothesen waarmee de wet rekening houdt, kunnen verwachten.

d. Beheersverslag

De verzekeraar moet ook ieder jaar een beheerverslag opstellen voor de werkgever. Die zal het op hun vraag aan zijn aangeslotenen meedelen.

 

Dit verslag moet volgende informatie bevatten:

  • de financieringswijze en haar structurele wijzigingen;
  • de beleggingsstrategie op lange en op korte termijn (met de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten);
  • het rendement van de beleggingen;
  • de kostenstructuur;
  • de winstdeling.

top

E. Inspraak van de werknemers 

In principe moet de ondernemingsraad, bij gebrek het CPBW of, bij gebrek de syndicale afvaardiging een voorafgaand (en per definitie niet dwingend) advies geven over:

  • de financieringswijze van het pensioenstelsel en de structurele wijzigingen;
  • de bepaling van de reserves en de opstelling van de pensioenfiche;
  • de toepassing, de interpretatie en de wijziging van het pensioenreglement;
  • de keuze van een pensioeninstelling en de overdracht naar een andere instelling.

 

Indien de groepsverzekering zich beperkt tot een deel van de werknemers van de onderneming, moet dit advies door de leden van de ondernemingsraad, van het CPBW of van de syndicale afvaardiging gegeven worden die deze werknemers vertegenwoordigen op voorwaarde dat minstens 10 % van hen de aanvraag doen.

 

Bij gebreke moet de werkgever de werknemers die door het pensioenplan beoogd worden periodiek en individueel over deze materie informeren. Deze informatie gaat altijd een beslissing ten gronde vooraf. Deze aanpak is nodig wanneer:

  • er noch een ondernemingsraad, noch een CPBW, noch een syndicale afvaardiging is;
  • niet minstens 10 % van de werknemers hun vertegenwoordigers daartoe gemandateerd hebben;
  • de aangeslotenen geen vertegenwoordigers hebben bij de ondernemingsraad, bij het CPBW en bij de syndicale afvaardiging. Bijvoorbeeld directieleden van de onderneming.

 

Indien deze overlegprocedure niet gevolgd wordt, volgen er zware sancties: de beslissingen van de werkgever kunnen binnen het jaar nietig verklaard worden.

top

F. Uittreden uit de groepsverzekering 

Bij het verstrijken van de arbeidsovereenkomst van een aangeslotene, moet de werkgever de ontbrekende verworven reserves aanzuiveren, inclusief het eventueel tekort ten opzichte van de door de wet voorziene minimum rendementsverplichtingen.

Overigens mag geen enkele vergoeding, geen enkel verlies van winstdeelname ten laste van de aangeslotene gelegd worden, noch bij zijn vertrek van zijn verworven reserves afgetrokken worden.

 

De werkgever moet de verzekeraar hierover, ten laatste binnen de 30 dagen die op het vertrek volgen, schriftelijk inlichten. Na deze kennisgeving heeft de verzekeraar van zijn kant ook 30 dagen om de werkgever het volgende mee te delen:

  • het bedrag van de verworven reserves, eventueel verhoogd tot het gewaarborgd bedrag;
  • het bedrag van de verworven prestaties;
  • evenals de diverse keuzemogelijkheden met vermelding van het behoud of niet van de dekking bij overlijden;

 

De werkgever verwittigt de aangeslotene onmiddellijk schriftelijk of via elektronische weg opdat hij zijn keuze zou kunnen  maken.

 

De aangeslotene beschikt over meerdere mogelijkheden:

  1. Hij kan zijn verworven reserves naar de pensioeninstelling van de nieuwe werkgever overdragen indien:
    • hij een nieuwe arbeidsovereenkomst met die nieuwe werkgever gesloten heeft
      en
    • hij bij het pensioenplan van die werkgever aangesloten is.
  2. Hij kan de verworven reserves naar een pensioeninstelling overdragen die de totaliteit van de winst, proportioneel aan hun reserves, onder de aangeslotenen verdeelt en de kosten beperkt volgens de regels die door de reglementering bepaald zijn.
  3. Hij kan zijn verworven reserves bij de oude verzekeraar laten (vermindering van het contract):
    • zonder wijziging van de pensioentoezegging;
    • in een onthaalstructuur (specifieke groepsverzekering die de keuze laat tussen diverse combi naties, waarbij bijvoorbeeld behoud van een overlijdensdekking mogelijk is) als dat voorzien wordt door het reglement.
  4. Hij kan de individuele financiering van zijn groepsverzekering op twee verschillende manieren verder zetten:
    • hetzij in het kader van de 2de pijler op bepaalde voorwaarden:
      • hij stapt uit zijn groepsverzekering na een aansluiting van minstens 42 maanden;
      • hij moet een nieuw arbeidscontract met zijn werkgever gesloten hebben;
      • bij die nieuwe werkgever beschikt hij over geen enkel pensioenplan.

      In dat geval kan deze werknemer zijn nieuwe werkgever opleggen dat hij een bepaald bedrag op zijn loon zou inhouden en het aan de verzekeraar van zijn keuze zou storten. Deze financiering zal gelijk gesteld worden met een werknemersbijdrage voor een groepsverzekering en zal bijgevolg de fiscale voordelen genieten die eraan verbonden zijn (belastingvermindering van 30 à 40%).

      Het bedrag dat in dat kader kan gestort worden is evenwel beperkt tot 1.500 EUR per jaar (te indexeren bedrag). Dit bedrag zal beperkt worden naar rato van de aansluitingsdagen bij een pensioenstelsel datzelfde jaar.

    • hetzij in het kader van de zuiver individuele levensverzekering (3e pijler) met al de fiscale gevolgen die eruit voortvloeien.

 

Bij gebrek aan keuze binnen de 30 dagen die op deze mededeling aan de aangeslotene volgen, wordt van deze laatste verondersteld dat hij voor het behoud van de verworven reserves bij de verzekeraar gekozen heeft (vermindering van het contract).

 

Deze ex-aangeslotene zal venwel op elk moment, zonder enige boete, de overdracht van zijn reserves kunnen vragen.

 

De werkgever die over de keuze van zijn ex-aangeslotene ingelicht werd, moet de verzekeraar hierover binnen de 15 dagen inlichten. En indien overdracht van de reserves gevraagd werd, beschikt de verzekeraar over 30 dagen om deze te verrichten.

top

G. Vereffening van de verzekerde prestaties 

Als de prestatie in kapitaal is uitgedrukt heeft de aangeslotene, of hebben, in geval van overlijden, zijn rechthebbenden altijd het recht om omzetting in rente te vragen.

Maar de keuze tussen kapitaal en rente blijft vrij.

 

De werkgever moet de aangeslotene 2 maanden voor de pensionering of binnen de 2 weken nadat hij op de hoogte werd gesteld van het vervroegd pensioen over dat recht inlichten.

 

Bij overlijden moet de werkgever de rechthebbenden 2 weken nadat hij van het overlijden in kennis werd gesteld over dat recht inlichten.

 

Als het jaarlijks bedrag van de rente van bij de aanvang evenwel lager is dan of gelijk is aan 500 EUR (te indexeren bedrag), wordt de prestatie automatisch in kapitaal uitgekeerd.

top

 

FISCAAL LUIK

 

Het fiscale luik van de WAP is zowel van toepassing op de loontrekkende werknemers als op de zelfstandige bedrijfsleiders.

 

1. TAKS OP DE VERZEKERINGSCONTRACTEN 

A. Basis tarief 

Elke pensioentoezegging van de 2e pijler is in principe onderworpen aan de jaarlijkse taks. De regel waarbij de aanvullende verzekeringen aan hetzelfde tarief zijn onderworpen als de hoofdlevensverzekering is voor deze 2e pijler afgeschaft.

Voortaan volgt elk risico zijn eigen fiscaal stelsel.

 

In groepsverzekering wordt op elke afzonderlijk genomen toezegging volgend tarief toegepast:

  • voor leven en overlijden: 4,40 %
  • voor arbeidsongeschiktheid: 4,40 % indien de verzekering voor al de aangeslotenen of voor een categorie onder hen op identieke en niet discriminerende wijze toegankelijk is
  • voor hospitalisatie: steeds 9,25 %.

top

B. Groepsverzekering met meerdere prestaties 

Als een groepsverzekering meerdere prestaties omvat (bijvoorbeeld: leven + overlijden + arbeidsongeschiktheid), blijft elke toezegging (zoals hiervoor bepaald) onder drie voorwaarden aan haar eigen tarief onderworpen:

  1. Geen discriminaties
    De groepsverzekering en de eventuele keuzemogelijkheden (in het geval van een cafetariaplan) zijn op eenzelfde en niet discriminerende wijze toegankelijk voor al de aangeslotenen of voor een categorie van hen.
  2. Geen uitsluiting op medische gronden
    Als er meer dan 10 aangeslotenen zijn, moeten de toezeggingen overlijden, arbeidsongeschiktheid en medische kosten kunnen onderschreven worden zonder uitsluiting op grond van een medisch onderzoek. Enkel bijpremies zijn nog mogelijk.
  3. Gedifferentieerd beheer

De groepsverzekering moet gedifferentieerd beheerd worden, zodanig dat men op ieder moment, per aangeslotene, de gepaste fiscaliteit m.b.t. de premies en de prestaties kan toepassen.

 

Deze voorwaarden worden nog versterkt voor de plannen van het cafetariatype. Een dergelijk pensioenplan moet inderdaad voorzien in "betekenisvolle standaarden”:

  • een standaardtoezegging bij de aansluiting.
    Dit is een geheel van minimale dekkingen die gelijk zijn voor alle aangeslotenen.
    Bij gebrek aan keuze of in afwachting van een keuze door de aangeslotene is de standaardtoezegging van toepassing.
  • voor elke waarborg moet ook een standaarddekking voorzien worden.

 

Voor deze standaardwaarborgen is uitsluiting op grond van een medisch onderzoek verboden, zelfs als er minder dan 10 aangeslotenen zijn. Enkel bijpremies zijn mogelijk. Voor wat deze standaarden overschrijdt is een normale medische aanvaarding daarentegen toegestaan.

 

Indien één van deze voorwaarden niet is nageleefd, wordt het geheel van de premies die in het kader van de groepsverzekering betaald worden aan een taks van 9,25 % onderworpen.

top

C. Individuele verderzetting 

Als de ex-aangeslotene bij zijn uittreding voor de individuele verder zetting van zijn groepsverzekering in het kader van de 2e pijler opteert (max. 1.500 EUR per jaar geïndexeerd), wordt op deze premies een jaarlijkse taks van 4,40 % geïnd.

top

2. AFTREKBAARHEID VAN DE PREMIES 

A. Prestaties bij leven / overlijden 

  • Werkgeversbijdragen

     

    Voor de loontrekkenden behoud van de speciale sociale zekerheidsbijdrage (8,86 %) op de premies die bestemd zijn voor de financiering van de prestaties bij leven - overlijden.

    De werkgeversbijdragen worden ten aanzien van de aangeslotene niet als voordelen van alle aard beschouwd voor zover de groepsverzekering gedifferentieerd beheerd wordt als ze meerdere prestaties omvat.

    En voor een zelfstandige bedrijfsleider, moeten deze stortingen:

    • aftrekbaar zijn van de vennootschapsbelasting;
      en
    • betrekking hebben op regelmatige maandelijkse bezoldigingen
  • De werkgeversbijdragen zijn aftrekbaar als beroepslasten onder de gebruikelijke voorwaarden (storting in Europese Economische Ruimte, naleving van de 80%-regel).

     

  • Werknemersbijdragen
  • Mogelijkheid om werknemersbijdragen te storten die 30 à 40 % belastingvermindering genieten.

     

  • Voorschotten en inpandgevingen

     

    Mogelijkheid tot voorschotten en inpandgevingen om reden van:

    • onroerend goed te verwerven, te bouwen, te herstellen
    • dat in de Europese Economische Ruimte gevestigd is
    • dat aan de verzekerde toebehoort.

 

Als deze voorwaarden niet worden nageleefd, worden de fiscale voordelen afgeschaft.

top

B. Prestaties bij Arbeidsongeschiktheid 

  • Werkgeversbijdragen

     

    De werkgeversbijdragen worden niet als voordelen van alle aard beschouwd ten aanzien van de aangeslotene voor zover de groepsverzekering gedifferentieerd beheerd wordt als ze meerdere prestaties omvat.

     

    En voor een zelfstandige bedrijfsleider, moeten deze stortingen:

    • kunnen afgetrokken worden van de vennootschapsbelasting
      en
    • betrekking hebben op regelmatige maandelijkse bezoldigingen.
  •  

    De werkgeversbijdragen kunnen worden afgetrokken als beroepslasten voor zover de wettelijke en bovenwettelijke prestaties in arbeidsongeschiktheid die in jaarlijkse rente uitgedrukt zijn, de normale jaarlijkse brutobezoldiging niet overschrijden (100%-regel).

     

  • Werknemersbijdragen
  •  

    Mogelijkheid om werknemersbijdragen te storten die als beroepslasten kunnen worden afgetrokken.

    top

C. Prestaties bij Medische kosten / Afhankelijkheid / Ernstige aandoeningen 

De werkgeversbijdragen vormen geen voordelen van alle aard ten aanzien van de aangeslotene in de mate waarin de prestaties "conform" zijn met deze die door de wet bepaald werden:

  • terugstorting van de medische kosten m.b.t. hospitalisatie, ernstige aandoeningen (kanker, leukemie … ) en de palliatieve thuisverzorging;
  • terugstorting van de specifieke kosten die veroorzaakt worden door afhankelijkheid;
  • storting van een rente in geval van ernstige aandoeningen.

 

Deze werkgeversbijdragen kunnen niet als beroepslasten worden afgetrokken.

 

Gezien hun aard kunnen de werknemersbijdragen ook niet als beroepslasten worden afgetrokken.

 

Er valt te noteren dat de RIZIV-bijdrage van 10 % van toepassing blijft op de premie van de medische kosten verzekeringscontracten.

top

3. BELASTING VAN DE PRESTATIES 

A. Prestaties bij leven / overlijden 

a. Belastingprincipe

De prestatie is belastbaar zodra ze gefinancierd wordt door werkgevers- of werknemersbijdragen (zelfs als de belastingvermindering niet werkelijk werd toegepast).

top

b. Parafiscale behandeling van de prestaties

De parafiscale inhoudingen zijn als volgt:

  • RIZIV-inhouding (3,55 % - voor kapitalen en renten)
  • solidariteitsbijdrage op de pensioenen (van 0 tot 2 % - enkel voor kapitalen).

 

Deze inhoudingen zijn van toepassing op de loontrekkenden en de zelfstandigen, ten laste van de gepensioneerde of van de overlevende echtgenoot, op het brutobedrag van het toegekende pensioen.

top

c. Vereffening

Vereffening in kapitaal

Belasting tegen de afzonderlijke aanslagvoet:

  • 16,5 % (werkgeversbijdragen)
    of
  • 10 % (werknemersbijdragen)

bij vereffening:

  • op 60 jaar (effectieve oppensioenstelling is niet vereist: bijgevolg moet een zelfstandige bedrijfsleider zijn mandaat niet neerleggen om aldus belast te worden);
  • op de effectieve oppensioenstelling;
  • bij overlijden.

 

Bij gebreke, toepassing van de progressieve aanslagvoet (werkgeversbijdragen) of aanslagvoet van 33 % (werknemersbijdragen).

 

De winstdeelname blijft onbelast.

 

Het solidariteitspact tussen de generaties:

Het WIB 1992 voorziet in een verminderde belasting op de kapitalen gefinancierd met werkgeversbijdragen indien de aangeslotene effectief tewerkgesteld werd tot op de wettelijke pensioenleeftijd. De aanslagvoet gaat in dit geval van 16,5% naar 10%.

 

Wat bedoelt men met “effectieve tewerkstelling”?

  • Gewerkt hebben als loontrekkende of zelfstandige, voltijds of deeltijds, gedurende de laatste drie jaren die de wettelijke pensioenleeftijd voorafgaan;
  • Werkloos zijn gedurende de laatste drie jaren die de wettelijke pensioenleeftijd voorafgaan;
  • Arbeidsongeschikt zijn gedurende de laatste drie jaren die de wettelijke pensioenleeftijd voorafgaan.

Vereffening in rente

Principe:

Indien de prestatie enkel in rente wordt uitgedrukt, zal de belasting tegen de progressieve aanslagvoet gebeuren (met toepassing van de belastingvermindering voor pensioenen).

 

Als de prestatie daarentegen in kapitaal is uitgedrukt, kan de verzekerde betaling in rente vragen door een beroep te doen op de techniek van het prijsgegeven kapitaal.

 

Speciaal stelsel: rente bekomen door het prijsgegeven kapitaal:

  • belasting van het opgebouwde kapitaal volgens de hoger vermelde regels (vereffening in kapitaal)
    en
  • belasting van de roerende opbrengst van de rente tegen 15% (+ gemeentetaks) en tot beloop van 3% van het prijsgegeven kapitaal.

 

De winstdeelname blijft onbelast.

Speciaal belastingsstelsel bij voorschot of inpandgeving: omzetting in fictieve rente

Principe:

Belasting tot beloop van de fictieve rente die zou voortvloeien uit de omzetting van het kapitaal volgens een coëfficiënt van 1 à 5 % op een eerste kapitaalschijf van 50.000 EUR (te indexeren). Die fictieve rente moet gedurende 10 of 13 jaar (naargelang de begunstigde al dan niet 65 jaar oud is) aangegeven worden.

Het saldo wordt aan 16,5 en/of 10% (zie hoger) belast.

 

Leeftijd van de begunstigde op het ogenblik van de uitkering van het kapitaal

Omzettingscoëfficient

 

 

40 jaar en minder

1

41 tot 45 jaar

1,5

46 tot 50 jaar

2

51 tot 55 jaar

2,5

56 tot 58 jaar

3

59 en 60 jaar

3,5

61 en 62 jaar

4

63 en 64 jaar

4,5

65 jaar en meer

5

 

Voorwaarden:

Dit belastingstelsel is van toepassing in geval van vereffening:

  • op de normale einddatum van het contract;
  • in de loop van de 5 jaar die deze einddatum voorafgaan;
  • bij overlijden van de verzekerde.

 

en

 

op voorwaarde dat er een voorschot of inpandgeving van het contract geweest is in het kader van een hypothecaire lening:

  • om een onroerend goed te bouwen, te verwerven, te herstellen, … (dat de enige woning van de aangeslotene is);
  • dat in de Europese Economische Ruimte gevestigd is;
  • en dat uitsluitend voor het persoonlijk gebruik van die aangeslotene en van de leden van zijn gezin bestemd is.

top

d. Successierechten

Principe:

Vrijstelling van successierechten.

 

Voorwaarden:

  • de aangeslotene moest het statuut van loontrekkende werknemer hebben;
    Deze vrijstelling geldt nog steeds niet in geval van overlijden van een zelfstandige bedrijfsleider.
  • de overlijdensuitkering wordt aan zijn echtgenoot of aan zijn kinderen van minder dan 21 jaar toegekend;
  • in uitvoering van een verplicht groepsverzekeringsreglement dat aan de van kracht zijnde reglementering beantwoordt.

top

B. Prestaties bij Arbeidsongeschiktheid 

  • Belasting tegen de marginale aanslagvoet als vervangingsinkomen of pensioen (bij de belastbare inkomsten te voegen).
  • Vergoedingen bij blijvende arbeidsongeschiktheid betaald onder de vorm van een kapitaal: belasting onder de vorm van een fictieve rente van 1 à 5 % van het kapitaal, aan te geven gedurende 10 of 13 jaar.

top

C. Prestaties bij Medische kosten / Afhankelijkheid / Ernstige aandoeningen 

Deze uitkeringen zijn niet belastbaar.

top

 

BONDIG OVERZICHT

 

1. Jaarlijkse taks op verzekeringscontracten 

 

Prestaties

Tarief

 

 

  • Leven

4,40 %

  • Overlijden

4,40 %

 

 

Groepsverzekering &

Individuele verderzetting

 

 

 

  • Arbeidsongeschiktheid

4,40 % indien geen discriminatie

 

 

  • Medische kosten

9,25 %

 

 

Groepsverzekering met meerdere prestaties

Elk risico volgt zijn eigen fiscaal stelsel

(4,40 % / 9,25 %)

indien

 

 

 

1°/ Geen discriminatie

2°/ Geen medische uitsluiting bij overlijden, arbeidsongeschiktheid en medische kosten indien meer dan

10 aangeslotenen

3°/ Gedifferentieerd beheer

 

 

 

Anders: 9,25 %

voor het geheel.

top

2. Aftrekbaarheid van de bijdragen / Belasting van de prestaties

 

Prestaties

Fiscaliteit

werkgeversbijdragen

Fiscaliteit

werknemersbijdragen

Belasting van de prestaties

 

 

 

 

Leven / Overlijden

Voor de onderneming: aftrekbaar als beroepslasten (80%-regel)

 

Speciale sociale zekerheidsbijdrage 8,86 % (loontrekkende)

 

Voor de verzekerde: geen voordeel van alle aard indien gedifferentieerd beheer en

voor een zelfstandige bedrijfsleider indien de premie betrekking heeft op regelmatige maandelijkse bezoldigingen

Belastingvermindering: min. 30 %

 

Naleving 80%-regel 

Parafiscaliteit:
RIZIV 3,55% & solidariteitsbijdrage

 

Indien voorschot of HL, fictieve rente (1 à 5%) op de 1e schijf van

60.000 EUR/ te indexeren (10 of 13j.)

 

16,5% (werkgeversbijdr.)

of 

10 % (werknemersbijdr.) indien

- 60 jaar

- effectieve pensionering

- overlijden

 

10 % (werkgeversbijdr.) indien effectief actief tot 65 jaar (solidariteitspact) 

 

 

 

 

Arbeids-

ongeschiktheid

Voor de onderneming: aftrekbaar als beroepslasten (100%-regel)

 

Voor de verzekerde: geen voordeel van alle aard indien gedifferentieerd beheer en

voor een zelfstandige bedrijfsleider

indien de premie betrekking heeft op regelmatige maandelijkse bezoldigingen

Aftrekbaar als beroepslasten indien de werkelijke kosten worden aangegeven

Belastbaar als vervangingsinkomen of pensioen

 

 

 

 

Medische kosten

Voor de onderneming: niet aftrekbaar als beroepskosten

 

Voor de verzekerde: geen voordeel van alle aard

indien uitkering overeenkomstig de wet

Niet aftrekbaar als beroepslasten

Niet belastbaar

 

 

 

 

top